JURYRAPPORT





JURYRAPPORT EN LAUDATIO

‘De poëzie kan de dood aan’

Wij hebben als jury van de VSB Poëzieprijs 2018 met plezier ons werk gedaan. We waren onder de indruk van de hoge kwaliteit van vele inzendingen. Tijdens ons lees- en beoordelingsproces werden wij alleen maar bevestigd in het idee dat poëzie belangrijk en verbindend is. Poëzie wordt niet alleen geschreven voor een goed opgeleide elite, maar is een kunst voor iedereen. Er is veel beweging in het literaire veld en wat de poëzie betreft zien we alom een reiken naar de lezer. Leo Vroman verzuchtte ooit in zijn befaamde gedicht ’Voor wie dit leest’ dat hij zijn hand niet door het papier kon steken naar de lezer: ‘Wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken’. Maar ondertussen zijn er tal van dichtershanden uit het papier gestoken. In tal van steden staat poëzie op stadsmuren. Er zijn slam-evenementen waar jonge dichters graag aan meedoen, er zijn nachten van de poëzie, er zijn dichters des vaderlands, er zijn stadsdichters. De afstand tussen poëzie en lied wordt kleiner. De oogst van deze VSB Poëzieprijs-inzendingen biedt ook weer gedichten die het verdienen om in ons gemeenschappelijke dichterlijke geheugen geprent te blijven.

Poëzie hoeft zich niet te legitimeren door expliciet maatschappelijk geëngageerd te zijn. Maar het treft ons hoe vaak dichters toch expliciet engagement aangaan en dan woorden weten te vinden voor de verschrikkelijke dingen waar nauwelijks taal voor is. Poëzie kan de dood aan. Poëzie heeft de kracht om door de clichés heen te breken, de enige taal die vaak beschikbaar is bij rampen en geweld. Daarbij valt op dat dichters meestal indirect te werk gaan en juist daarom stellen ze het geweld en de onverschilligheid zo effectief aan de orde. Dichters sensibiliseren ons.

De poëzie is en blijft vrij. Ze gaat waarheen ze wil. Zij experimenteert, maar gaat ook voort te doen wat ze altijd al deed: de taal onderzoeken, de fasen van het leven van binnenuit beschrijven, de jeugd, de verliefdheid, het lege huis waar de kinderen uit vertrokken zijn, de ouderdom. Poëzie blijft ook het voertuig van innerlijke transformatieprocessen. Als we konden leven als dichters zou de poëzie misschien niet nodig zijn. Maar niet iedereen is dichter. De bemiddeling van de poëzie is nodig om het kijken naar de dingen te verversen. Daartoe moet de poëzie altijd weer worden vernieuwd, opgeschud, ontdaan van zijn regels en routines om zijn functie van ‘nieuwe ogen inzetten’ te kunnen behouden. En dat is precies wat ook deze generatie dichters weer blijkt te doen.

 

 

De genomineerden

Binnenplaats van Joost Baars

Uitgeverij Van Oorschot, 2017

Binnenplaatsis een bundel die bij de verschillende lezingen van de jury steeds meer groeide. In vier reeksen geeft Baars ons een zeer bondige samenvatting van bijna alles. Een ik spreekt tot een Jij, die tegelijkertijd de ander is en leegte, een meditatie over een stoel is tegelijkertijd traktaat en gebed, de ordening van de wereld wordt in verband gebracht met religie, er zijn poëzievertalingen waarvan elk woord met een pincet geplaatst lijkt, en de geopolitiek wordt besproken met overvliegende vogels. De binnenplaats is iets wat niet is in het hart van wat is. Baars spreekt in Binnenplaats met het niets, plaatst het met bonzend hart op de plek van dingen die er wel zijn, vreest het en probeert het lief te hebben. Binnenplaats ontroert, maar niet alleen dat: het is een buitengewoon metafysische bundel. In het hart van het boek staan zes vertaalde sonnetten van Gerard Manly Hopkins, een victoriaanse jezuïetenpater en dichter. Dat is een gewaagde keuze, zeker voor een debuut, maar de vertalingen zijn gedichten in hun eigen recht: zo krankzinnig compact geformuleerd, zo diep en duister. Er zijn gedichten in dit debuut die al bij de eerste lezing overkomen als nieuwe klassiekers. De jury is ervan overtuigd dat dit een boek is dat over vele jaren nog gelezen gaat worden, en waarvan de gelukkige bezitters het steeds weer opnieuw uit de kast zullen pakken.
De taal van Joost Baars’ debuutbundel vormt een eigenaardige, meeslepende muziek die het aardse probeert te verbinden met het transcendente, de hartenkreet met de filosofie, alles alsmaar bewegend om het grote gat in het midden.

 

 

Nachtroer van Charlotte Van den Broeck

Uitgeverij De Arbeiderspers, 2017

Nachtroeris een coherente, hecht gecomponeerde bundel, bijeengehouden door de rode draad van het steeds terugkerende thema van de liefdesbreuk. De bundel bevat een aantal prachtige cycli, te beginnen met de meesterlijke anti-chronologische reeks Acht. Naast de reeksen The Age of Aquarius, Roofbouw en Snede zijn er lange losse gedichten, half narratief en half lyrisch, die de lezer meteen pakken door hun sterke beelden en een raadselachtigheid die wordt opgeroepen in bedrieglijk gewone taal. Deze poëzie heeft een enorm tempo en is even complex als pakkend. Hij zuigt je op en doet het niet alleen goed bij lezen maar ook bij voorlezen. Bij herlezing worden deze gedichten steeds beter, en ontvouwen zich steeds nieuwe betekenissen. Het is zorgvuldige poëzie, welluidend en avontuurlijk, en zeer authentiek. Omdat de afzonderlijke gedichten geen afgesloten composities zijn maar verbanden aangaan met de andere kom je al lezend in een ‘flow’. Het geheel is meer dan de som der delen. De hele bundel is doortrokken van een melancholisch ongeduld, niet willen accepteren dat alles is zoals het is – zoals in ‘Blauw’ (een onvervalste blues) die lijkt geschreven rondom die regel van Bob Dylan, ‘But when you’re sick of all this repetition’. Een stortvloed aan beelden van herhaling, cirkelbewegingen houdt dit gedicht bij elkaar tot aan ‘de draaikolk, het nulpunt/ stilliggen’: het moment waarop het middelpunt van de cirkel is bereikt. Er heerst een dringend verlangen om te worden opgeheven, te verdwijnen, dat evenzeer wordt opgeroepen in beelden van desolate consumptieartikelen als van erotiek die geen troost biedt: ‘de schipbreuk/ van de lendenen – alsof men alleen daar/ aan stukken kan.’ Dat een tweede bundel zo gedurfd en onverschrokken kan zijn is bijzonder.

 

 

Vonkt van Marije Langelaar
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2017

In Vonkt schrijft Marije Langelaar onverschrokken over lichamelijkheid, liefde, vrouwelijkheid, moederschap, scheiden en sleur. De dichteres roept de ongrijpbare, bevreemdende sfeer van de droom op met de precisie van een slagershand. Het resultaat is een bundel die het leven toont in zijn ‘messige scherpte’. Vonkt briest, vlamt, stampt én zalft. Woorden zijn manieren om te worden, om te transformeren en uiteindelijk zichzelf te bevrijden. Het eerste poëticale gedicht ‘Zand’ lijkt niet alleen een evolutiegeschiedenis te bevatten die zich ontrolt aan een strand, maar ook de geboorte van het woord, waarrond zich een intrigerend ritueel afspeelt: ‘Het was nog onuitgesproken, ongevormd maar het was bijna/ op een zintuiglijk niveau konden we het tasten./ Ik hield zijn handen, in hoeverre dat kon, toen we allen/ gezamenlijk het woord/ dat hij zo diep verborgen en in oerprincipiële toestand bij zich had/ begonnen uit te spreken./ En hoe langzaam herhalend en de honden die blaften

ondersteunend en het waaide onafgebroken/ zijn ogen begonnen te glanzen/ toen eindelijk werd hij wakker’ De personificatie – van woorden, getallen en voorwerpen – is een dominante stijlfiguur. In deze bundel veranderen mensen in stoelen en herten, kunnen ze katten en zwaluwen berijden of gaan werken aan het Ministerie van Zwaarte en Schittering. Elk gedicht opnieuw breekt door de korst van conventie, beheersing en distantie en graait gretig naar een bijna brute lichamelijke beleving van zelf en ander. Als in het bevreemdende gedicht ‘Park’: ‘Ik bekeek het kind/ dat ik zojuist had geworpen./ Het was warm nog en begon/ aan een schreeuw.// Zijn hartslag was overal.’ Met Vonkt schreef Marije Langelaar een ontroerende en vernieuwende bundel, surrealistisch soms, sprookjesachtig maar niet naïef, wild en tegelijk secuur, vol beelden die blijven hangen, lang nadat de lezer uit zijn leesroes is ontwaakt.

 

 

 

Ja Nee van Tonnus Oosterhoff
Uitgeverij De Bezige Bij, 2017

Wie het poëtisch universum van Tonnus Oosterhoff betreedt, weet dat de taalconstructies en woordconstellaties klaar staan om zich te verankeren in het brein. De bundel Ja Nee vormt in alle opzichten een klassieke Oosterhoff. De lezer blijft haken aan zijn gedichten, de gedichten zetten zich vast aan de hersenstam. Oosterhoff laat je struikelen over zinnen, regels en woorden die soms afbreken. In Ja Nee komt dit door het duizelingwekkende spel van bevestigen en ontkennen. Bevestigende ontkenningen, ontkennende bevestigingen of dubbele ontkenningen – soms duiken ze zelfs binnen een enkele versregel over elkaar heen. Als een volleerd taoïst balanceert Oosterhoff tussen tegenpolen, zonder daarbij de spanning tussen die polen op te willen heffen. Hij danst tussen ontkenning en bevestiging, tussen volheid en leegte en kijkt om zich heen. Hetzelfde verwacht hij van zijn lezers. Ja Nee is een bundel die de lezer expliciet aanspoort te kijken, een perspectief in te nemen. En dat betreft ondanks de speelsheid en lichtheid die deze poëzie zo kenmerkt een donker perspectief, namelijk dat van de ter dood veroordeelde. Het kan gaan om een koe die naar de slacht wordt gedreven of om een terminale patiënt in het ziekenhuis. Het bijzondere aan deze poëzie is dat zij een ongekend intellectueel niveau weet te combineren met een ogenschijnlijk terloopse ironie. Het resultaat: achter de schijn van doorwrochte, soms wat moeilijk te doorgronden of cerebrale taalconstructies treft de lezer ontroerende verzen over het op handen zijnde einde. Daarmee heeft Oosterhoff een bijzondere bundel gecomponeerd die de lezer vooral confronteert met vergankelijkheid. Maar zelfs op die alom aanwezige vergankelijkheid laat Oosterhoff zich niet vastpinnen; alsof hij wil aangeven dat juist in die vergankelijkheid een nieuwe toekomst gloort. De bundel eindigt met een hoopvol teken van nieuw verlangen en nieuw leven.

 

 

Leger van Mieke van Zonneveld

Uitgeverij De Bezige Bij, 2017

Van Zonneveld raakt de kwetsbare snaren van de dilemma’s van onze beschaving aan. Haar debuutbundel Leger ontspringt uit een jubelende levensvreugde, het volkomen besef van het geluk dat ze mag bestaan. Uit dit besef schijnt ze de kracht te putten om Bijbelse landschappen te kunnen bewandelen. Mythische afstanden worden hier afgelegd door een uiterst kwetsbaar mens. De gedichtenbalanceren zonder ophouden op de rand van het intiem meditatieve en sterk ‘performende’ (soms tot aan het rap-achtige toe). Deze twee tendensen groeien uit tot elkaar versterkende krachten. Het resultaat is uniek. De zorgvuldig in acht genomen verhouding tussen ironie, tragiek, innigheid en (zelf)spot eveneens. Met even gevoelige als kritische ogen kijkt ze haar eigen leven en passies in de ogen. Ze draagt in haar tere lichaam de gewichtige taal van het Oude Testament, resoneert op een gedurfde toon op verzen uit de klassieke literatuur, wentelt om het lichaam van antieke goden, kruipt in de huid van middeleeuwse vrouwen die zich volledig uitleveren aan de ander, zingt mee met de ons vertrouwde chansonniers en folksingers, maar durft ook de stilte aan van het innigste gebed. Zonneveld speelt meesterlijk met de vorm, met de vooral in een (eventueel denkbeeldige) uitvoering waar te nemen rijmen, binnenrijmen, ritmes. Zij is uiterst sensueel in haar gedisciplineerd-zijn, in het uitstellen van verwachte aanrakingen terwijl ze met lichte tred over duizelingwekkende ravijnen loopt. De ritmes en gedachtenbogen stokken meesterlijk – en dat zijn de beste momenten van de bundel – als ze zichzelf toestaat om neer te storten en de diepste bodem te raken.

 

 

Van de 79 ingezonden bundels nomineerden we er vijf. En van vijf gaan we nu naar één, de winnaar. De VSB Poëzieprijs 2018 kennen wij toe aan Joost Baars voor Binnenplaats.

 

 

Laudatio voor Joost Baars

Onze gehele jury was diep onder de indruk van de bundel Binnenplaats van Joost Baars. Het is een debuut, maar van een dichter die een volstrekt eigen geluid heeft – een eigen project zouden we willen zeggen - waar duidelijk al lang aan wordt gewerkt. De ik spreekt een jij aan. Deze Jij krijgt altijd een hoofdletter – de enige hoofdletter die de dichter uitdeelt. Is deze Jij een geliefde? Hoewel je met die vooronderstelling begint te lezen moet je al snel van dit idee afscheid nemen.  Nee, die Jij is, ja wie? wat? - de onkenbare, het raadsel dat de ik beweegt en waar hij omheen blijft draaien. Deze intense en prachtige gedichten zijn niet minder dan theologische meditaties, zoektochten, of misschien wel openbaringen. We citeren een enkel gedicht:

 

 

 

ik heb Jou gezocht en Jij hebt mij

gevonden. wat is het

 

dat Je in mij zoekt? ik volg

Je blik die zich altijd weer richt

 

op mij, zich altijd weer afwendend,

denkend: doe Jij dat

 

of ik? kijk, ik ben zonder

Jou nergens,

 

ankerloos, en schipper

 

in Je licht

met wat Je in mij ziet. Je maakt mij

 

bitter, Je verlangt van mij

dat ik iets word dat op Jou schipbreuk lijdt.

 

 

 

Binnenplaatsis een hallucinante, mystieke bundel. Het vraagt tijd om erin door te dringen maar bij elke herlezing groeien deze gedichten en trekken ze je mee in hun zoektocht naar of confrontaties met het transcendente. Het bijzondere van Baars is dat hij daarvoor in deze steeds verder seculariserende westerse cultuur een volstrekt nieuwe en authentieke taal weet te vinden die alle vaste religieuze idiomen vermijdt. Alsof de dichter er geen weet van heeft, zo volkomen onbevangen en opnieuw cirkelt hij in elk gedicht opnieuw om dit raadsel heen en juist daardoor wordt ook de lezer bevrijd van de bestaande vormen en formules en meegetrokken in dit zoeken. 

Baars is aanvankelijk niet te plaatsen. Hij is echter een ‘valse trage’, hij laat je werken en steeds harder werken en zijn project laat je niet los. Hij begint in het niet-weten, zoals mystici doen – en blijft daar en trekt je daarheen. Zijn werk is zeer kwetsbaar en tegelijkertijd sterk. Interessant is hoe Baars zichzelf situeert te midden van andere dichters en denkers, zoals Hannah Arendt, Emily Dickinson, Christian Wiman, maar ook Tom Waits en Werner Herzog: zijn universum stoort zich niet aan de grenzen tussen populaire cultuur en filosofie. Zijn poëzie laat zien hoe religie de hele cultuur doordrenkt maar hij doorbreekt met zijn werk al die polarisaties die een geseculariseerde samenleving kenmerken waarin alles wat religieus was of is besmet is geraakt. 

Hij vaart uitsluitend op de directe ervaring. Hij overstijgt de religieuze poëzie: zijn werk gaat over kennis en wat we met die kennis doen. Er is ook vriendschap, en dood en verlies, en liefde in deze bundel, er is zelfs een geliefde die voor de ogen van de ‘ik’ met een hartinfarct ligt te wachten op de ambulance. De romantische liefde heeft in deze eeuw steeds meer de plaats van religie ingenomen, als datgene waar het bestaan om draait. Baars gaat daartegenin – of weet die twee thema’s weer op verrassende wijze met elkaar te verbinden.

Van de dichter Gerard Manley Hopkins heeft Baars de zes ‘sonnets of desolation’ vertaald in het Nederlands en die in zijn bundel opgenomen. Terecht, want dit zijn bewerkende, creatieve vertalingen, ze overtreffen het origineel. In Baars’ handen zijn de sonnetten van Hopkins nog minimaler gemaakt, nog dieper. Via opdrachten bij bepaalde gedichten en via een netwerk aan referenties waarin je Hadewijch en Gezelle herkent, zoekt Baars nederig zijn eigen plaats. Wij, de juryleden van deze laatste VSB Poëzieprijs, zijn onder de indruk gekomen van zijn prachtige en blijvend-intrigerende poëzie. Wij roepen eenstemmig Joost Baars uit tot winnaar en feliciteren hem van harte.

 

 

De jury van de VSB Poëzieprijs 2018


Maaike Meijer (voorzitter)
Hannah van Binsbergen
Anikó Daróczi
Cathérine De Kock
Geertjan de Vugt