NOMINATIES




Tonnus Oosterhoff - Ja Nee

Uitgeverij De Bezige Bij 2017

Uit het juryverslag bij de nominatie: "De bundel Ja Nee vormt in alle opzichten een klassieke Oosterhoff. De lezer blijft haken aan zijn gedichten; Oosterhoff laat je struikelen over zinnen en regels. In Ja Nee komt dit door het duizelingwekkende spel van bevestigen en ontkennen. Bevestigende ontkenningen, ontkennende bevestigingen of dubbele ontkenningen – soms duiken ze zelfs binnen een enkele versregel over elkaar heen. Ja Nee is bovendien een bundel die de lezer expliciet aanspoort te kijken, een perspectief in te nemen. En dat betreft ondanks de speelsheid en lichtheid die deze poëzie zo kenmerkt een donker perspectief, namelijk dat van de ter dood veroordeelde. Daarmee heeft Oosterhoff een bijzondere bundel gecomponeerd die de lezer vooral confronteert met vergankelijkheid."

 

 

De dood houdt ermee op, hij of zij
kapt ermee. Het is een uitgemaakte zaak,
ik heb een uitgezaaide levensverwachting.
Nee.
Ja.
We zitten vast aan veel te korte levens,
Mickey Mouseballonnen aan een touwtje.
De peuter die loslaat zet een keel op.
Ze maakt een scene! Sla haar.
Van schreeuwen krijg je ongelijk in je keel,
dat moet ze weten; leer het haar.

 

In de bundel Ja Nee neemt Tonnus Oosterhoff de lezer opnieuw mee naar de wereld van dooddoeners en schijnbare causaliteit en het montere debiteren van clichés en veronderstellingen. Voor deze ter geruststelling en verklaring ingezette taal had Oosterhoff altijd al een goed oor, maar in deze bundel weet hij sterker dan ooit het zowel komische als beklemmende karakter van die taal te benadrukken, met name door niet zo alledaagse en vaak elliptische zinsconstructies, de absurde nevenschikkingen en de ingehouden dreiging van het voldongen feit. ‘Een boom valt op het dak / nooit zomaar / maar ook nooit met een reden’ luidt het op een na kortste gedicht in de bundel  en hierin zit het Ja Nee van de titel optimaal vervat. Ja Nee is een bundel over dreiging, de dreiging van het bestaan zelf, waartegen de mens zich in een onmachtige taal verzet. Oosterhoff beschrijft deze existentiële onontkoombaarheid met mededogen en een vitale vorm van ontregeling. Al is de taal het probleem, zij kan evengoed de wending nemen die in Oosterhoffs gedichten soms per regel plaatsvindt: een zin op weg naar een nieuw inzicht, taal als een wenkend perspectief. Zoals Oosterhoff zelf in de laatste zin van de bundel zegt: ‘de snoeren stoten elkaar hoopvol aan: nog even, dan gaan ook wij uit verlangen.’

 

Meer gedichten van Tonnus Oosterhoff